Hulde aan de stad, het landschap en de omgeving waar wij onze jeugd door brachten.
Gerimpeld ligt voor mij oog
het water, overal.
Als een wijd meer
met daarboven
de laagvliegende meeuwen.
Langzaam zie ik toch de nevelige gloed
van de rozig opkomende zon,
en de molen, statig in het nog zichtbare,
blote land.
Aan de andere kant zie ik ook
de stad, de toren van de Grote Kerk,
de zusters van de Berg.
Het sluimert nog bijna alles daar.
Het is stil en vredig
al suist het verkeer
op de hoge brug langs mij.
Ik hoor het niet,
ik neem slechts waar
wat het turend oog mij biedt.
Een schoonheid van een buiten zijn oevers getreden IJssel
aan de rand van een schijnbaar nog middeleeuwse stad.
De lucht, de innerlijke stilte die het uitstraalt,
al dit,
de Natuur…
Voor ik het weet, glijd ik dan te ver
op mijn fiets over de brug,
kom in de stad.
De schone betovering is weg,
valt van mij af.
Maar ook deze ochtend zoals zo vele
heb ik genoten van de schoonheid
om mij heen.
Ik vergat de kou die ik weer trotseerde,
voor dit schouwspel,
Deventer,
IJssel
en land.
Geschreven 3 januari 1967 door Stella Jansen